Deze zomer plaatste Arie Boomsma een video op zijn Instagram met de bloedserieuze titel ‘Update uit de dahliaborder’. Na een week vakantie waren zijn dahlia’s bijna opgeslokt door het onkruid, en dus moest hij aan de bak. Zijn boodschap? Tuinieren is als trainen: kijk niet te veel naar het eindresultaat, maar doe elke dag een beetje.
De man die Nederland aan de kettlebell kreeg, maakt nu video’s over wieden in de dahliaborder en spinaziepannenkoeken van eigen kweek. Lekker zelfvoorzienend, onbespoten en vooral gezond bezig zijn: laat dat maar aan Arie over.
Arie Boomsma kan een goed gevoel voor tijdgeest niet ontzegd worden. Hij is namelijk niet de enige bekende man die het tuinieren heeft ontdekt. Waar vroeger vrijwel geen man (behalve Rob Verlinden) met tuinieren geassocieerd wilde worden, is er ergens iets gekanteld.
David Beckham oogst op Instagram trots zijn uien en wortelen. De ex-profvoetballer houdt kippen en bijen, en teelt groenten en bloemen. Hij lijkt zelf ook te beseffen dat er iets is veranderd. “My content used to be motorbikes and camping now it’s kale, honey and flowers for the house. (...) I can hear my East End mates going, ‘He has changed’.”
Waka Flocka Flame, de Atlanta-rapper die in 2010 doorbrak met Hard in da Paint en No Hands, kondigde in 2018 aan te stoppen met rappen. Hij verruilde zijn celebritybestaan voor het boerenleven. Hij ging koeien houden en groenten verbouwen. Deze zomer vertelde hij dat werken op het land hem rust geeft en terugbrengt naar de basis: zijn ‘newfound love of farming’.
Ik kan nog even doorgaan.
Donald Glover / Childish Gambino kocht in Californië een enorme farm als thuisbasis voor zijn creatieve bedrijf Gilga: sinaasappel- en avocadobomen naast writers’ rooms en studio’s. De Amerikaanse GQ noemde hem al ‘writer turned comedian turned rapper turned actor […] turned farmer’.
Singer-songwriter Jason Mraz is inmiddels al meer dan twintig jaar eigenaar van regeneratieve boomgaarden waar avocado’s, koffie en fruit worden verbouwd.
Rapper 2 Chainz begon tijdens corona een moestuin achter zijn huis en verbouwt onder meer okra, paprika’s en munt, voor een gezonder leven.
Oud-NBA-ster Marc Gasol tuiniert; hij vertelde eerder aan GQ dat het hem geduld en rust brengt.
Opvallend: veel van deze mannen zitten ergens rond de veertig of zijn die net gepasseerd. Dat is geen toeval, maar daar kom ik zo op terug.
Ook in Nederland is tuinieren inmiddels doorgedrongen tot de hiphop. Vjèze Fur, inmiddels 43, kwam eind 2025 met zijn eerste soloalbum, dat simpelweg Tuinieren heette. ‘Een album over lekker tuinieren? Heeft Vjèze Fur op een van zijn culinaire excursies per ongeluk een boomer ingeslikt?’, schreef de VPRO, die kennelijk de memo had gemist dat tuinieren inmiddels in het post-Rob Verlinden-stadium is beland.
Of Freddy Tratlehner zelf tuiniert, durf ik niet te zeggen. Maar de tuin staat voor hem symbool voor vertragen, je telefoon uitzetten, met je handen bezig zijn en even ontsnappen aan de hectiek en de verplichtingen. Uit de titelsong: ‘Vandaag hou ik het traag / met mijn vingers in de aarde / shoutout naar mijn sla / shoutout naar mijn tomaat / en mijn paprika.’
Ik snap dat gevoel wel.
Toen ik op mijn 35ste een volkstuin kreeg in Amsterdam-Noord, leidde ik ongeveer het tegenovergestelde leven van wat je met tuinieren associeert. Ik was chef van het zaterdagmagazine van Het Parool, single en vooral bezig met deadlines, daten, sporten, premières, feestjes en de rest van het Amsterdamse leven. De tuin lag een kwartier fietsen van mijn huis, maar voelde als een andere wereld.
Ik was op het spoor van tuinieren gebracht toen ik twee jaar daarvoor een oud-collega op haar volkstuin opzocht. Ik was behoorlijk onder de indruk, maar vooral: ik werd teruggeworpen naar mijn 12-jarige ik die aardappelen en tomaten kweekte in de achtertuin en vastbesloten was om later boer te worden. Een droom die ik de twintig jaar daarop behoorlijk was kwijtgeraakt.
Zij drukte me op het hart me maar alvast in te schrijven, voor het geval er een tuin vrij zou komen. Dat besloot ik te doen, maar ik dacht vooral: waar haal ik hiervoor straks in vredesnaam de tijd vandaan?
Twee jaar later (ik had inmiddels bijna 400 m² op hetzelfde volkstuincomplex) bleek dat achteraf de verkeerde vraag. Ik maakte er tijd voor.
Vanaf dag één gaf de tuin me ongelooflijk veel plezier. Ik bakte er in het begin weinig van, maar vond er autonomie. Een tuin is een soort canvas waarop je zelf mag uitvinden wat je mooi vindt. Je kunt een border aanleggen, een struik verplanten, iets laten mislukken en het jaar erop opnieuw beginnen. De tuin is vergevingsgezind. Je blijft leren.
Een tuin geeft hoop. Waar ik vroeger zat te somberen in januari, maak ik nu plannen voor het nieuwe jaar en koop ik zaadjes die ik vanaf februari op de vensterbank voorzaai, terwijl ik me verheug op de tomaten die ik straks zal plukken.
Een tuin is concreet. Met je tuin hoef je nooit te vergaderen, te videobellen of jaarplannen te schrijven. Er is altijd te veel te doen, en áls je je daartoe eenmaal gezet hebt, zie je na afloop resultaat. Je boom is gesnoeid, het onkruid is weg, de appels zijn geplukt.
En je zit in de natuur. Duh, hoor ik je denken. Maar in de stad was ik daar behoorlijk van vervreemd geraakt. Je hoort vogels, ontdekt hoe slim mieren zijn, leert te leven met mollen en konijnen (nou ja, als ze je sla niet opvreten), ziet welke bijen op welke bloemen afkomen en hebt geen Buienradar meer nodig: je voelt wanneer het weer omslaat.
Maar het belangrijkste is misschien nog wel dat de tuin ontspant. Arie vergelijkt tuinieren met trainen: discipline, elke dag een beetje. Voor mij zit de aantrekkingskracht dus meer in de ontspanning. Al kan dat in de tuin ook gewoon betekenen dat je je een middag in het zweet werkt om een boom uit te graven. Waka Flocka noemt het ‘grounding’. Aarden. Dat is het letterlijk.
In al die jaren dat ik een volkstuin heb, heb ik nog nooit mijn laptop meegenomen. Als ik op de tuin ben, kan ik mijn telefoon twee uur vergeten. Natuurlijk, ik maak ook foto’s (zelfs heel veel) of stel ChatGPT een vraag over een raar kruidje, maar op de tuin laat ik alle drukte van de stad achter me.
De tuin is een overzichtelijke biotoop. Buiten de hekken zijn oorlogen, huizenprijzen, het pakketje van de buren, appgroepen en mails waar je iets mee moet. In de tuin is het grootste probleem dat je roos weer luizen heeft. (Gewoon laten zitten, de lieveheersbeestjes komen vanzelf.)
Misschien verklaart dat ook waarom tuinieren zo goed bij die levensfase rond de veertig past. Tegen die tijd hebben veel mensen, zeker in de stad, het snelle leven wel gezien. Het zoveelste feestje of de volgende carrièrestap heeft niet dezelfde aantrekkingskracht als toen je 25 was. Je denkt: waar wil ik mijn tijd eigenlijk aan besteden?
Aan tuinieren dus.
Corona gaf die interesse een flinke duw. Voor die tijd vonden mijn vrienden mijn volkstuin best aardig tot volstrekt oninteressant. Ze kwamen als ik een barbecue gaf en een zelfgekweekte courgette werd enthousiast in ontvangst genomen, maar uit jezelf een kwartier naar Noord fietsen om tussen mijn planten te gaan zitten? Nee. Kunnen we niet in de stad afspreken? Ik ben maar opgehouden met aandringen.
Tijdens de lockdown werd ik ineens door vrienden gebeld en geappt: hoe kom ik óók aan zo’n tuin? Mensen kwamen helpen. De wereld was stilgevallen en ineens bleek een lapje grond helemaal niet zo’n boomerige hobby. Tuincentra werden platgelopen: in de eerste lockdown steeg de omzet met 20 procent.
Zelfvoorzienend leven werd langzaam een nieuw ideaal: steeds meer mensen dromen van leven op het platteland en jaarrond hun eigen voedsel verbouwen. In de praktijk blijkt dit nog knap lastig en blijft de supermarkt een verdomd handige uitvinding.
Ik besloot uiteindelijk van tuinieren mijn beroep te maken. Ik merkte dat nóg meer werken en nóg meer verdienen me niet noodzakelijk gelukkiger maakt. Voor corona was ik al aan een opleiding tuinontwerp begonnen. Tijdens de lockdown besloot ik het serieuzer aan te pakken: ik schoolde me om tot tuinder en liep twee jaar stage op tuinderijen.
Ik werk inmiddels alweer vijf jaar twee dagen per week op een zelfoogsttuin, waar we groenten telen voor driehonderd gezinnen en ik een moestuincursus geef. Daarnaast ben ik journalist gebleven.
Daar zit overigens ook een ongemakkelijke waarheid in. Minder werken voor meer rust, veel tijd spenderen in de tuin of een slechtbetaalde tweede loopbaan als tuinder beginnen omdat je daar gelukkig van wordt: je moet het je kunnen permitteren. Eenvoud kiezen is óók een privilege.
Dat zie je natuurlijk ook bij die beroemde tuinierende mannen. Na jaren van méér (meer geld, meer roem, meer reisjes, meer auto’s, meer vrouwen) is de nieuwe luxe de mogelijkheid om voor minder te kiezen.
Stromae vatte dat verlangen in 2022 het mooist samen. In Riez fantaseert hij eerst over materieel succes: hij wil een Grammy, veel geld, een zwembad, een villa en politie-escortes. Later wordt zijn droom eenvoudiger. Een klein stukje grond is eigenlijk genoeg: ‘un potager, un vélo, le soleil’. Een moestuin, een fiets, de zon.
Shoutout naar mijn sla.







