Grote comebacks zijn in de mode. De afgelopen weken maakten verschillende modeontwerpers bekend wat hun volgende langetermijnproject wordt. Het begon met Sabato De Sarno, voormalig creatief directeur van Gucci en inmiddels aan het roer bij Icicle. Daarna volgde Dario Vitale, het Italiaanse modetalent dat een nieuwe uitdaging vond bij Armani en de creatieve leiding van Emporio Armani en de accessoires van de hoofdlijn op zich neemt.
De terugkeer van Kris Van Assche is een heel ander verhaal.
"Let maar niet op de rommel," zegt Van Assche kort nadat hij op mijn scherm verschijnt. Hij doelt op de kartonnen dozen die achter hem op elkaar zijn gestapeld. Natuurlijk is het onmogelijk om daar niet op te letten.
Anders dan zijn collega's kiest de Belgische ontwerper voor een comeback via wat je gerust de moeilijkste route kunt noemen: geen contract bij een groot modehuis binnen een luxegroep, maar zijn gelijknamige merk na ruim tien jaar opnieuw lanceren.
"Ik denk dat ik aan het begin van het jaar de beslissing heb genomen, ergens begin februari. Eigenlijk was het een opeenstapeling van gebeurtenissen. Om te beginnen ligt Berluti inmiddels alweer een paar jaar achter me. Het is dus al een tijdje geleden dat ik echt volledig mijn eigen visie op mode kon uitdragen," vertelt de ontwerper.
Zoals Van Assche zelf zegt, is hij sinds 2021 niet meer actief in de mode. Die afwezigheid vulde hij op met allerlei samenwerkingen: van homeware met Serax tot een tentoonstelling van bronzen vazen met de Parijse galerie Laffanour en projecten met Fred Perry en het Chinese sportmerk Anta. "Ik heb daar enorm van genoten, maar de realiteit van een samenwerking is dat het altijd maar een deel van je echte DNA vertegenwoordigt," legt Van Assche uit. "Daarom besloot ik dat het tijd was om mijn vocabulaire opnieuw scherp te stellen en iets heel persoonlijks naar buiten te brengen. Bovendien droom ik al 25 jaar van het ontwerpen van womenswear. Ik ben opgeleid als womensweardesigner, maar heb het nooit volledig gedaan. Op een gegeven moment denk je: nu of nooit."
De carrière van Kris Van Assche is behoorlijk ingewikkeld. Nadat hij in 1998 afstudeerde aan de Royal Academy of Fine Arts in Antwerpen, verhuisde hij naar Parijs voor een stage bij Saint Laurent, waar hij onder Hedi Slimane werkte. Twee jaar later volgde hij Slimane naar Dior om aan de mannenlijn van het modehuis te werken. In 2004 verliet hij Dior en besloot hij zijn eigen, gelijknamige label op te richten. Elf jaar later sloot hij dat merk om zich volledig op Dior Homme te richten, waarvan hij in 2005 creatief directeur was geworden. In 2018 nam hij de leiding over van Berluti, als onderdeel van een grote reorganisatie van de mannendivisies binnen LVMH. Hij bleef er drie jaar. (Ik zei toch dat het ingewikkeld was.)
Twintig jaar geleden kon zijn eigen merk rekenen op meer dan honderd verkooppunten wereldwijd en een vaste plek op de modekalender. Nu pakt Kris Van Assche het anders aan. "Ik heb mijn merk elf jaar gehad en ik weet waarom ik ermee ben gestopt. Het was de moeilijkste professionele beslissing ooit. Ik had toen zo'n vijftien mensen in dienst, we hadden een fantastisch kantoor vlak bij Place de la République in Parijs, een winkel en behoorlijk wat verkooppunten. Het sluiten van mijn merk kwam hard aan. Financieel was het alleen echt ingewikkeld geworden: we waren te groot voor de kleine merken, maar te klein voor de grote. Je komt op een punt waarop je nooit echt die volgende stap kunt zetten."
Voor zijn comeback besloot Van Assche volledig op zichzelf te vertrouwen. Zijn eerste collectie verkoopt hij uitsluitend via een gloednieuwe website, die moet uitgroeien tot een plek waar al zijn projecten samenkomen en waar hij toekomstige ideeën kan voortzetten. "Dankzij projecten zoals Fred Perry, waarbij de collectie echt klein was, ontdekte ik dat je met dertien items en een geweldige fotograaf als Alasdair McLellan al een verhaal kunt vertellen. Je hoeft niet twee keer per jaar een show te organiseren. Het hoeft helemaal niet zo groot te zijn om een goed verhaal te vertellen."
De eerste collectie van Kris Van Assche, die enkele weken geleden werd onthuld, geeft een eerste indruk van het merk. We zien knitwear, tailoring en stukken die duidelijk uit de sportswear komen, zoals een wollen broek die doet denken aan een cargo. Van Assche wil het gevoel van exclusiviteit terugbrengen dat volgens hem al lange tijd uit de luxemode is verdwenen. Hij werkt met deadstockmaterialen en volgt daarbij uitsluitend zijn eigen tempo, niet dat van de industrie. "In mijn hoofd is het heel duidelijk. Ik zit al heel lang in deze wereld en ik weet dat zelfs de grote luxemerken het momenteel moeilijk hebben. Als heel klein, net gestart merk kan ik dus onmogelijk winnen als ik precies hetzelfde spel probeer te spelen. Mijn idee is om het niet te groot aan te pakken, maar gewoon creatief te zijn en te houden van wat ik doe. Ik breng een drop uit zodra die klaar is en werk met gelimiteerde oplages van deadstockmaterialen (ongebruikte restanten textiel) voor een lagere prijs."
Van Assche gaat verder: "Het betekent dat het hetzelfde kledingstuk kan zijn, maar dan in verschillende stoffen. Eigenlijk kan dat een fantastisch concept worden, omdat je dan nooit vijfhonderd exemplaren van exact hetzelfde kledingstuk in dezelfde stof hebt. Luxe draait altijd om schaarste; het hoort bij het vocabulaire van luxe. Maar die schaarste is ergens onderweg verloren gegaan." De ontwerper sluit niet uit dat hij in de toekomst meer exemplaren gaat produceren als retailers daarom vragen.
Na 25 jaar in de mannenmode heeft Kris Van Assche een sterke behoefte om een diepgaande kennis van wat menswear is en wat het is geweest te onderzoeken. Tijdens zijn jaren bij Dior Homme en Berluti wist de ontwerper de codes van het Parijse modehuis te vermengen met invloeden uit streetwear en sportswear. Nu, jaren nadat hij officieel de deur van zijn eigen merk achter zich dichttrok, is Kris Van Assche klaar om alle ervaring die hij opdeed aan het roer van grote modehuizen te benutten en zijn eigen stijl opnieuw tegen het licht te houden.
"Mensen die mijn werk destijds volgden, zullen bepaalde elementen herkennen. Ik bevind me nu in een fase waarin ik daadwerkelijk kan teruggrijpen op mijn eigen archief. En dat is best bijzonder. Sommige stukken zijn gebaseerd op ideeën die voor mij de tand des tijds hebben doorstaan. Ik kan de basis behouden en de volumes natuurlijk wat aanpassen voor nu. In die zin is het een voortzetting van het DNA van mijn merk."
Volgens Kris Van Assche is er belangstelling voor een creatievere vorm van mannenmode die tailoring op een verrassende manier inzet en niet simpelweg meegaat met de smaak van het publiek. "Wat ik interessant vind aan de mannenmode als industrie, is dat er altijd golven zijn geweest. Soms heb je een heleboel interessante ontwerpers die zich specifiek met menswear bezighouden. En wanneer het wat rustiger wordt, zijn het de womensweardesigners die er een beetje menswear naast doen. Dit is zo'n moment. Hoeveel merken zijn er nog waar ontwerpers daadwerkelijk alleen aan mannenmode werken? Menswear is altijd een beetje het kleine broertje geweest. Volgens mij wordt het soms een beetje over het hoofd gezien. Dat is jammer, want het is een enorme markt."
Op dit moment geniet Van Assche van de volledige onafhankelijkheid van zijn merk. Zonder investeerders kan hij zelf bepalen hoe en wanneer hij zijn collecties uitbrengt. Bovendien kan hij zijn kleding voor een lagere prijs aanbieden dan veel andere merken die te maken hebben met aanzienlijk grotere bedrijfsstructuren. Een overhemd kost momenteel gemiddeld zo'n 450 euro, een jas iets meer dan het dubbele en een T-shirt minder dan 300 euro. "Natuurlijk kan ik niet zeggen dat dit goedkope prijzen zijn, maar ze liggen een stuk lager dan wat we tegenwoordig in de luxesector zien. Voor mij was dat een heel belangrijk onderdeel van het verhaal."
Toch sluit Kris Van Assche een terugkeer aan het roer van een groot modehuis niet uit: "Als iemand me morgen iets interessants aanbiedt, is de kans groot dat ik ja zeg." Hij weet heel goed wat er volgens hem niet werkt binnen de luxesector. "We zijn op een punt beland waarop merken zo groot zijn geworden dat alle oude codes die bij die wereld horen – schaarste, de tijd die nodig is om iets te maken, een echt gevoel voor individualiteit en kwaliteit – een beetje verloren zijn gegaan. Als je zes, acht of tien collecties per jaar maakt, wordt het moeilijk om het idee van schaarste overeind te houden, net als het idee dat luxe tijd nodig heeft om te worden ontwikkeld. Op een gegeven moment wordt het gewoon een beetje cynisch. Daarom denk ik dat de mode-industrie op een punt is beland waarop ze zo groot is geworden dat ze nieuwe regels en nieuwe codes moet definiëren. We hebben een enorme stoelendans van ontwerpers gehad die naar nieuwe merken verhuisden, maar uiteindelijk denk ik niet dat dat de verandering heeft gebracht waarop mensen hoopten. Want uiteindelijk zijn de ontwerpers niet het probleem, sorry."
Voordat ik Van Assche laat gaan, moet ik hem nog één vraag stellen: is er een manier om de boel te herstellen? Kan het idee om een klein, persoonlijk universum op te bouwen – niet alleen rond mode, maar rond de creatief directeur als tastemaker in meerdere werelden – een voorbeeld voor de toekomst worden? "Ik denk niet dat er één regel is. Ik wil mijn regels aan niemand opleggen. Ik wil gewoon niet dat anderen hun regels aan mij opleggen." Een betere afsluiting van het gesprek had hij me niet kunnen geven.
Dit artikel verscheen eerder op GQ Italia.






