“Music and food”, zegt June Freedom al vroeg in het interview. “Dat zijn de twee belangrijkste dingen in de wereld voor me.” Het was precies die combinatie die het startschot voor zijn artiestenloopbaan gaf: als kind zag hij elk weekend muzikanten optreden in het restaurant van zijn moeder. Op zijn tiende kreeg hij voor het eerst zelf de microfoon in handen gedrukt.
Dat restaurant is er nog steeds, op het Kaapverdische eiland Fogo. Zijn moeder heeft het nu 26 jaar. Het staat vol met foto’s van haar zoon, tegenwoordig komen er fans speciaal naartoe omdat hij het er in interviews zo vaak over heeft gehad. Die vragen dan naar June, of naar zijn moeder. Geregeld stuurt ze foto’s met een fan naar haar zoon, die in Los Angeles woont en op het moment van het interview tijdelijk vanuit Lissabon opereert. In de Portugese hoofdstad werkt hij aan zijn nieuwe album. De eerste single ervan verscheen vrijdag: Dance Again met Eva Ruiz.
De albumopnames kregen deze week een kleine tegenslag, want Freedom (echte naam: Pedro Paul Fontes Veiga Jr.) kampte ineens met keelproblemen. “Maandag was ik in de studio en zat mijn keel ineens potdicht”, vertelt hij. “Ik drink al vier dagen non-stop thee. Je hoort het nog steeds aan mijn stem, maar ik voel me stukken beter. Ik heb rust genomen, veel geslapen.”
Die rust neemt hij tegenwoordig iets te weinig. Op Fogo gaat het leven een stuk langzamer dan in de VS en Europa, zegt hij; dat mist hij weleens. Freedom woont er al jaren niet meer maar komt er geregeld, en in het gesprek wordt duidelijk dat zijn hart er nog ligt. Wanneer hij het heeft over het lokale eten bijvoorbeeld (“Het restaurant van mijn moeder serveert enorm lekkere verse vis, en dat zeg ik niet alleen omdat het mijn moeder is”) of de oude Kaapverdische muziek die zijn sound inspireert. Maar ook wanneer hij het hartverscheurende nieuws van een deze maand op Fogo verongelukte bus met kinderen ter sprake brengt. 25 inzittenden lieten het leven. “Het dodelijkste verkeersongeluk in de geschiedenis van ons eiland”, zegt Freedom hoorbaar aangeslagen. “Op Fogo staat het leven nu stil, iedereen is bezig met het helpen van de getroffen families. Veel wegen op het eiland hebben geen vangrail, terwijl ze naast diepe ravijnen lopen.”
Hoe vaak kom je nog op Fogo?
“Wanneer ik kan, ga ik terug. De infrastructuur moet verbeteren, maar Fogo is prachtig en natuurrijk. Het heeft geweldige wijn, heerlijke verse mango en vijgen, en goeie koffie. Ik was er in juni nog en ga in december weer. Dan speel ik een show, maar kan ik meteen familie bezoeken. Mijn moeder is momenteel bij mij op bezoek in Lissabon en ze komt geregeld naar de VS, waar mijn zus eveneens woont.”
Verhuizen naar de VS moet even schakelen zijn geweest.
“Ik ben er geboren, maar op mijn derde verhuisde mijn familie terug naar Kaapverdië. Van die beginjaren weet ik niet veel meer. Toen ik als tiener terugging werd ik geïntroduceerd aan r&b en hiphop, nieuwe genres voor mij. En later aan country en blues. Na mijn schooltijd ben ik nog eventjes terug geweest naar Kaapverdië, maar inmiddels heb ik in Boston, New York en LA gewoond. Ik ben dus helemaal gesetteld, maar ik vind het fijn om beide werelden te kunnen combineren: het snelle, motiverende van Amerika en het rustige van Kaapverdië. Ik ben een kind van de wereld: hier in Lissabon heb ik het eveneens heerlijk. Ik zit middenin het centrum, als ik naar buiten loop is het meteen levendig. Er zijn hier open mic-avonden met lokale muzikanten, vorige week ben ik zelf nog het podium opgegaan.”
Je carrière zit al jaren steady in de lift. Hoe is dat voor jou?
“Met mijn eerste plaat mikte ik echt op een Kaapverdisch publiek. Dat het ook in andere landen hard begon te lopen, had ik nooit verwacht. Ik denk dat het komt doordat ik in vier verschillende talen zing: Kriolu (Kaapverdisch-Creools, red.) dat gesproken wordt in mijn thuisland, en daarnaast Engels, Portugees en Spaans. Naast afrobeat hoor je duidelijk inspiratie uit r&b en popmuziek. Ik voel me een beetje een octopus wiens tentakels zich enorm ver hebben uitgestrekt.”
Je gaf dit jaar je eerste concert in Amsterdam. Hoe was dat?
“Een van de beste shows in mijn carrière tot dusver. De energie was zó goed, bijna alle liedjes werden van begin tot eind meegezongen. Ik kan niet wachten tot ik er nog ’n keer sta. Ik ben dol op jullie land, alleen het weer is minder. In Rotterdam, dat een grote Kaapverdische gemeenschap heeft en waar ik al eerder had opgetreden, wordt mijn muziek van alle steden wereldwijd het meest gestreamd. Mijn producers komen trouwens ook uit Rotterdam. Bij Poundcake Studios produceren ze denk ik wel zeventig procent van mijn songs - Nederlanders zijn heel goed met sound.”
Afgelopen vrijdag verscheen je nieuwe single, Dance Again met Eva Ruiz.
“Het is de eerste single van wat waarschijnlijk mijn vierde album wordt. Ik ben een album guy. Losse singles, daar hou ik niet zo van. Van EP’s wel, maar iedere keer dat ik denk dat ik het bij een EP hou, wordt het uiteindelijk een volwaardig album. Ik heb alweer twintig nieuwe songs klaarstaan. Dit liedje had trouwens eigenlijk op mijn vorige plaat Casa Mira Mar moeten staan, maar uiteindelijk paste het niet zo goed bij de rest. Daarom heb ik ‘m bewaard.”
Voel je de neiging om meer in het Engels te zingen nu je internationaal bekender wordt?
“Mijn team raadt het me weleens aan. Maar ik ben niet van plan ooit te stoppen met zingen in meerdere talen, ik denk dat daar de magie zit. Misschien als een specifiek lied erom vraagt - maar het mengen van talen gebeurt heel natuurlijk, als ik de microfoon pak in de studio zing ik vaak wat er bij me op komt. Dat is doorgaans in een taal die het best past bij de beat. In welke taal ik nadenk? Vroeger was dat Kriolu, de taal waarin ik ben opgevoed. Maar na al die jaren in Amerika is het Engels geworden.”
Welke ambities heb je voor de toekomst?
“Ik denk dat mijn muziekcarrière nog maar net begint, maar ik wil ook meer doen met eten. Ik zou dolgraag weer een pop-up beginnen. Ik had er vroeger in North Hollywood een met Kaapverdisch eten dat ik thuis bereidde. Dat was tijdens corona, toen ik niet kon reizen of optreden. De pop-up was een succes, dus erna begon ik een winkel. Ineens ging het snel met de muziek en kon ik beide zaken niet meer combineren. Ik wil graag nog ’n keer zoiets opzetten, de food-business blijft lonken. Maar het zal nooit in plaats van muziek komen.”







