Bnnyhunna, geboren als Benjamin Ankomah, begon zijn carrière ooit als producer voor onder meer Winne, Nnelg en Rimon. Bij die laatste twee speelde hij ook in de band, evenals bij onder meer Akwasi. Sinds een aantal jaar staat hij zelf vooraan op het podium. Met succes. Dat had hij al toen hij enkel nog losse singles en EP’s uitbracht, maar inmiddels heeft Ankomah twee albums op zak. Evenals een Edison én een Grammy-consideration in de categorie Best Alternative Jazz Album, wat zoveel wil zeggen als: de organisatie van de wereldberoemde muziekprijzen had hem officieel op het oog voor nominatie. Die nominatie kreeg hij uiteindelijk niet, maar een enorme eer was het alsnog voor zijn debuutplaat Echoes of Prayer uit 2024. Dit jaar kreeg die een opvolger, Psalm Funk. De titels van beide platen geven al weg dat geloof een grote rol speelt in zijn songs, zowel als thematische inspiratiebron als in de muziek zelf: Ankomah combineert jazz, gospel, soul, highlife, hiphop en r&b. Hij is daarnaast multi-instrumentalist. Piano, gitaar, basgitaar, synthesizer, fagot en drums: you name it, hij speelt het. Tien vragen aan dit multitalent.
Twee jaar geleden sprak ik je. Toen zei je dat je in 2026 een Grammy zou winnen. Ben je met een Grammy-consideration net zo blij?
“Ja, sowieso! Het voelt voor mij als een stap in de goeie richting.” Lachend: “Ik denk dat ik die Grammy over twee jaar alsnog wel heb. Maar weet je, vergeet die Grammy, eigenlijk. Het allerbelangrijkste is dat ik kan blijven genieten van wat ik doe. Dat ik toffe projecten mag doen die ik belangrijk vind. Een Grammy zou heel leuk zijn, maar ik wil vooral geen concessies hoeven doen in mijn creativiteit.”
Ik vond die Grammy-uitspraak mooi omdat het getuigt van je geloof in jezelf. Heeft dat er altijd in gezeten?
“Ik heb - als artiest maar ook als mens - nooit echt aan mezelf getwijfeld. Net zoals ik niet twijfel aan de mensen om me heen. Als zij zeggen dat ze iets willen doen, geloof ik ze; de wilskracht van de mens is krachtig. Als je iets heel graag wil, kan niemand je tegenhouden.”
Wankelt dat zelfvertrouwen weleens als je bijvoorbeeld een liedje hebt dat minder goed aanslaat dan gehoopt?
“Toevallig had ik twee weken geleden een show in België die niet zo goed ging. De connectie met het publiek kwam er maar niet. Dat slaat bij mij al snel om in drive. ‘Ik moet werken aan een betere set’, of: ‘Ik moet vaker uit mijn comfort zone en spelen voor publiek dat mij niet goed kent.’ Maar na die show kwam ik bij mijn moeder thuis en had zij gekookt voor de familie. Iedereen was gelukkig, we hebben lekker samen een film gekeken. Toen dacht ik: waar maak ik me druk om?”
Deze zomer stond je onder meer met een eigen show in het Concertgebouw in Amsterdam. Wat staat er voor dit jaar nog meer op de planning?
“In oktober verschijnt mijn nieuwe plaat Selah, een live-opname. Daarvoor heb ik in juli een direct-to-disc-opname gedaan in de Artone Studios in Haarlem, de enige studio van Nederland waar je kunt opnemen en dat meteen op vinyl kunt snijden. Je moet alles dus in één keer goed doen. Spannend? Ja, maar ook een leuke uitdaging. Onder een bepaalde druk presteer ik beter. Er waren enkele fans bij en wat vrienden. In totaal een groepje van hooguit dertig mensen.”
Hoe kwam je op dit idee?
“Eigenlijk is deze plaat een vervolg op mijn vorige album Psalm Funk. Aan het einde van elke bijbelpsalm heb je een zogeheten sela, een moment van reflectie. Ik heb het gevoel dat we dat niet genoeg doen in het leven. Psalm Funk was best upbeat, in dit tweede deel doen we een stapje terug en komen we tot rust.”
Het geloof speelt sowieso een belangrijke rol in je muziek.
“Ik vind het tof om mijn geloof te verwerken in mijn songs, op zo’n manier dat ik ook mensen kan aanspreken die niet religieus zijn. Zelf ga ik elke zondag naar de kerk. Als kind al: mijn vader was highlife-muzikant en trad er op. Ik bid daarnaast voor elke show, zo laat ik zien dat ik dankbaar ben dat ik dit mag doen. Daar heb ik hard voor gewerkt, maar ik geloof dat God daar eveneens een grote rol in speelt.”
Als we het dan toch over reflecteren hebben: je staat dus geregeld stil bij hoe goed je carrière gaat?
“Zeker! Ik neem het niet voor lief. Ik ken genoeg mensen die evenveel talent hebben maar niet hun werk ervan hebben kunnen maken. Sommige jeugdvrienden met wie ik in de kerk of in bandjes speelde werken nu bij de supermarkt, anderen zijn de corporate wereld ingegaan. Dat ik dit mag blijven doen vind ik echt een blessing. Temeer omdat wat ik maak niet commercieel is. Mijn muziek is best niche. Na een carrièrepiek, zoals de Edison, trek ik me meestal terug. Ik wil me niet laten afleiden door succes.”
Wat doe je op zo’n moment, in de luwte?
“Terug naar de tekentafel. Nadenken over: hoe zijn we hier gekomen? En dan op dezelfde manier doorgaan. Soms ga ik trouwens ook gewoon op vakantie.”
Hoe zou je die vraag - ‘Hoe zijn we hier gekomen?’ - beantwoorden?
“Door consistent te zijn in hoe ik creëer en hoeveel ik creëer, en loyaal naar de mensen met wie ik werk. Plus openstaan voor nieuwe mogelijkheden en niet iets te snel wegwuiven. Ik ken een muzikant die vijf jaar geleden de mogelijkheid had om met Olivia Dean te schrijven, voor haar doorbraak. Dat heeft-ie afgeslagen. Het was heus geen garantie voor succes geweest - en voor hetzelfde geld was zíj nooit doorgebroken - maar ik wil maar zeggen: vaak krijg je meer spijt van dingen die je níet hebt gedaan.”
Even terug naar die Edison. Succes moet je niet in de weg gaan zitten, maar je mag er af en toe bij stilstaan dat je zo’n prijs gewonnen hebt, toch?
“Ik keek er toevallig vorige week nog naar toen ik bij mijn moeder was, daar staat-ie in de vitrinekast. Het voelt nog steeds niet echt. Het is een heel belangrijke en prestigieuze award en ik ben er supertrots op; toen ik hem won was ik echt in een trance. Maar tegelijkertijd denk ik: dit is ook niet alles. Uiteindelijk gaat het niet om awards, het gaat me erom dat ik meer mensen kan raken. Ik wil gewoon dóórgaan.”







