O jee, waagt ook The Killers-frontman Brandon Flowers zich aan countrymuziek? Dat is de eerste gedachte die zich opdringt bij het beluisteren van Thrasher, Flowers’ eerste soloplaat in elf jaar tijd. Op die vorige twee soloalbums, uit 2010 en 2015, ging hij juist voor op synths gedreven poprock. Deze keer dook hij, zoals het elke serieuze (aspirant-)country-artiest betaamt, de studio in Nashville in.
Bij The Killers was de americana-invloed nooit ver weg, luister maar eens naar Sam’s Town uit 2006. Maar de eerste tonen van Thrasher maken duidelijk: deze keer gaan we all the way. Helaas zijn die eerste tonen niet heel indrukwekkend. De twee openingssongs zijn weinig overtuigend. Does It Ever Cross Your Mind heeft nog wel een mooie boodschap - je hebt niet in de hand waar je wieg staat - maar berust op platitudes. Alleen al die opening line: “Does it ever cross your mind, the wonder that is it to be alive?” Goedbedoeld, net als het houterige: “I could’ve been born in Bangladesh, but I wasn’t, I was born here.”
Juist als je denkt ‘ach, hij doet tenminste zijn eigen ding’, klinkt track nummer drie enorm als een Killers-song. Maar vanaf nummer vier komt Trasher opvallend op stoom. Vanaf hier wordt de plaat als geheel melancholischer, de teksten donkerder en scherper. Zo is Miss America gezongen vanuit het perspectief van zijn oudere zus die in een gewelddadige relatie zat.
Hier en daar leunt Flowers wel erg op zijn vermoedelijke inspiratiebronnen: de melodie van Angel heeft héél veel weg van Bruce Springsteens Downbound Train, Paradise doet denken aan Neil Diamond. Toch klinken zowel de up- als mid-tempo songs simpelweg goed en, jawel, verrassend authentiek. Waar dat openingsduo nog neigde naar pastiche, horen we met elk lied meer en meer een man voor wie het Amerikaanse platteland geen geheimen heeft. Wat ook zo is: Flowers groeide op in het binnenland van de VS, eerst in een buitenwijk van Las Vegas, later in Utah. Én met de countrymuziek die zijn vader luisterde. Met slotsong An American Dream komt Thrasher tot een formidabel hoogtepunt, met aangrijpende tekst - “I dialed my parents, only I had forgotten my mother had passed” - en een refrein dat zich onder je huid nestelt. We nemen onze cowboyhoed af voor deze verrassend sterke plaat.
Sam Smith breekt met Hazel Eyes een trend
Sam Smith breekt op diens nieuwe plaat overduidelijk met de trend die die de laatste jaren inzette. Gaandeweg kwam er steeds meer dancepop aan diens muziek te pas: dat begon in 2019 met Dancing With A Stranger en culmineerde in het album Gloria uit 2023, dat bol stond van disco en elektropop. Het leverde de wereldhit Unholy op, maar ook heel veel kritiek. Smith zou té seksueel, té provocerend, té naakt zijn, vonden diens criticasters.
Ze kunnen opgelucht ademhalen: op Hazel Eyes horen we Smith vooral weer zingen over de liefde in plaats van over seks. Naast de hitsigheid zijn ook de dancebeats verdwenen. Maar denk niet dat Smith terugkrabbelt. Want ook diens oude geluid - radiovriendelijke tranentrekkers - is hier nergens te bekennen. Smith zegt niet: ik ben terug. Smith zegt: dit ben ik nu. Een artiest die veel meer in diens mars heeft dan popmuziek. De Brit put hier onder meer uit soul, blues en gospel. En dat doet die verrassend goed.
Openingsnummer Everlasting Love kon zo zijn weggelopen uit een film noir. Die donkere sound horen we eveneens op het zwoele Moondance en mooie Thief. Smith woont tegenwoordig in New York; de stad vormt een belangrijke inspiratiebron voor de plaat en dat hoor je. Je ziet de donkere straten en nachtclubs met sigarettenrook zo voor je.
Verderop neemt Smith je op Oh Mother juist mee naar het zuiden van de VS. Ook deze roadtrip blijkt een hoogtepunt, een song die na een akoestisch begin openbarst in een ijselijke kreet: ‘Let’s go, bitch!’. Dat lijkt meer aan te sluiten bij Smiths vorige plaat, maar past hier wonderwel.
De productie is op momenten schitterend - het delicate gitaargetokkel en achtergrondkoor op When He’s Gone, Smiths prachtige stem met enkel een piano in Love Is A Stillness. Maar helaas is niet elk nummer even sterk. Op Sugar Rush gaat de blazerssectie over de top en na het schitterende Constant Companion - dat wellicht nog het meest op Smiths oude sound leunt - zijn de twee slotnummers wat saai en clichématig. Daar kan ook een laatste dosis gospel in de climax niks aan veranderen. Desalniettemin levert Smith met Hazel Eyes een opvallend sterk en eigen album af.







