Of ik mee wilde doen aan de Dam tot Damloop? Klinkt leuk, dacht ik. Ik speel wekelijks een partij voetbal (Footy in Amsterdam) en vind mezelf redelijk fit. Hardlopen doe ik echter amper. Niet omdat ik het niet wil: ik kijk op naar mensen die wekelijks lopen en ik heb meermaals geprobeerd om zelf zo’n persoon te worden. Zo liep ik ooit, volledig geïnspireerd door renners, op een zomeravond 5 km door het Vondelpark. Vervolgens deed ik dat maanden niet. Ook ging ik een keer naar een hardloopspeciaalzaak (want ik moet uiteraard het beste materiaal hebben) om veel te dure schoenen te kopen, om ze vervolgens in één jaar tijd slechts 20 km aan actie te geven.
Dat is het gekke: vraag me om vanavond te gaan hardlopen en ik ben zeer waarschijnlijk ‘te moe’ na een lange werkdag. Maar vraag me om te voetballen, en het mag stormen en sneeuwen: ik sta er.
Ik krijg ergens in februari een poll doorgestuurd met de vraag of ik de 8 km of 16 km wil lopen. 8 km zou voor mij al een persoonlijk record zijn. Maar bijna iedereen vult 16 km in. Ik heb nog tijd zat, bedenk ik me. Met wat extra training lukt dat wel. En dan kan ik mijn fancy loopschoenen eindelijk gebruiken waarvoor ik ze heb gekocht. Ik kies 16 km en vergeet de poll. De komende maanden ga ik nog twee keer lopen: één keer zelf een rondje van 8 km, en een paar maanden later 11 km met een runclub waar het tempo best hoog lag. Ik was kapot aan het einde van de run. Maar ik hype mezelf op: op een trager tempo kan 5 km extra wel.
De week van de race
Op de dinsdag voor de race krijg ik plots een WhatsApp-bericht: “Hier is wat informatie voor de run van zondag”. Ik schrik me een ongeluk. Shit, ik was die race helemaal vergeten. Ik voel de voetbalmatch van gisteren nog in mijn benen. Ook heb ik al aan een bevriend team beloofd hen donderdag uit de nood te helpen als wisselspeler. Beloofd is beloofd, dus daar kom ik niet onderuit.
De dag voor de race ga ik op ziekenbezoek thuis bij een goede vriend die zijn sleutelbeen heeft gebroken. Zijn moeder is op bezoek uit Italië en wil voor ons koken. Daar zeg ik geen nee tegen. We krijgen heerlijke aperitivo, primo en secondi aangeboden. Elke gang met de vraag of ik toch niet een glaasje wijn wil drinken. De moeder, oma (86) en groottante (96) drinken elke dag een glas wijn bij het eten en iedereen lijkt topfit. Hoe slecht kan het zijn? Bij de secundi (gevulde aubergine) bezwijk ik: doe mij toch maar een glaasje rood. We hebben een topavond. Ik kijk op de klok. Bijna twaalf uur ‘s nachts. Nog een half uurtje naar huis fietsen. Niet per se de ideale voorbereiding.
De dag van de Dam tot Damloop
Om 8:30 gaat de wekker. De race begint om 11:00, maar we hebben al om 9:45 met onze groep afgesproken bij Amsterdam Centraal. Genoeg tijd voor groepsfoto’s, spullen inleveren, opwarmen - dat soort dingen. Ik drink een glas water, neem een snelle douche om goed wakker te worden, en maak mijn ontbijt klaar: een kop zwarte koffie en warme havermoutpap met honing. Dit keer eet ik een extra banaan. Daarna spring ik op de fiets. Ik had mijn outfit de dag ervoor al klaargelegd. Dikke sokken (om blaren te voorkomen, maar die kreeg ik alsnog), een voetbalshort en shirt, een hardlooparmband om mijn telefoon en huissleutel mee te nemen, en uiteraard mijn veel te dure hardloopschoenen.
Ik parkeer mijn fiets in de nieuwe ondergrondse fietsenstalling bij Amsterdam Centraal en ga naar de plek waar we hebben afgesproken. Ik ben de eerste van onze groep, maar rond het station is het al best druk. We pinnen onze loopnummers vast op onze shirts, nemen (uiteraard) wat groepsfoto’s en, eenmaal we compleet zijn, begeven we ons naar de drop-offlocatie voor de tasjes die we van de organisatie gekregen hebben. Daar kunnen we alle spullen in bewaren die we tijdens het lopen niet nodig hebben, en die worden tijdens het lopen voor ons naar de finish gebracht. Best handig! We schuiven aan bij de startlijn en worden onder opzwepende muziek aangespoord om op te warmen door coaches die op de podia rond ons het goede voorbeeld geven. Mensen nemen nog wat selfies en de spanning neemt toe. En dan PAF! Het startsignaal. De menigte komt in beweging.
Ik had met een vriend afgesproken om de eerste kilometers samen te lopen. We zouden niet praten, maar ons focussen op ons tempo. We lopen de tunnel in onder het IJ, en ik merk meteen: dit gaat te traag voor mij. We lopen bergaf, en ik wil me niet laten tegenhouden door een door een Apple Watch aangegeven ritme. Dus ik loop al snel alleen. Een van de betere lopers van de groep komt nog even aangeven dat ik eigenlijk iets te snel loop. Ik zeg hem dat ik later wel wat trager zal lopen. Er komt nog een oude bekende langslopen en we wisselen een paar woorden. Maar hij loopt me al snel voorbij en ik ben weer alleen.
De eerste 5 km gaan heel vlot. Ik loop zonder trackers of muziek, dus luister puur naar mijn benen en ademhaling. Ik merk dat ik veel mensen voorbijloop. Na 5 kilometer voel ik me nog fris. Maar ik herinner me de les uit de run met de runclub. Aan dit tempo haal ik het einde niet. Dus ik besluit de komende 5 km te matigen. Ik voel dat ik sneller kan lopen, maar ik hou het rustig. Ik geniet van de zon, de mensen om mij heen, de supporters langs de weg (vele high-fives met kinderen) en de dj's die bangers draaien. Bij kilometer 10 doe ik even een statuscheck. Hoe voel ik me? Spieren en adem gaan goed. Ik voel wat blaren opkomen, maar daar ben ik door het voetbal aan gewend. De linkerknie doet af en toe wat pijn, maar niks dramatisch.
Na kilometer 12 voel ik de vermoeidheid. Persoonlijk record verbroken. Ik voel dat ik nu van nature trager zou gaan lopen, maar ik wil een uitdaging. Ik volg twee mensen die net iets sneller lopen dan ik in deze fase zou doen. Gewoon volgen en dan kom je er. Ik raak in een soort trance. Elke kilometer voelt als een overwinning. Wanneer begint de eindspurt? Ik neem me voor om de laatste kilometer alles te geven. Maar dan is kilometer 15 daar al. Ik kan niet sneller. Ik word links en rechts ingehaald. Ik zie het bordje 500 meter. Ik kan toch wel 500 meter sprinten? Maar de benen zeggen nee. En dan, bij 200 meter, hoor ik mijn naam. Daar staat plots mijn vrouw. Ze zou uitslapen en ik had haar gezegd dat ze niet hoefde te komen. Maar daar stond ze toch. Ik glimlach, blaas haar een kus toe, en mijn tempo neemt toe. Nog 100 meter. Come on!, zeg ik tegen mezelf. Ik begin te sprinten. Niemand rond mij doet dat. Is dat ‘not done’ in een langeafstandsrace? Het maakt mij niet uit. Het voelt goed. Ik geef alles en ren weer een flink aantal mensen voorbij. Ik steek de finishlijn over en... wát een adrenaline. 1:26:18. Ik voel me een winnaar. En ben twee enorme blaren rijker.
Je kunt meer dan je denkt
16 km uitlopen voelt goed, maar ik zie me dit niet heel snel nog een keer doen. Na de race slaat de vermoeidheid enorm toe. Ik voelde me euforisch, uitgeput en voldaan, maar na 12 km voelde ik allerlei kwaaltjes waarvan ik nog niet wist dat ik ze had. Na de loop had ik pijn aan de adductoren door overbelasting.
Wellicht is 8 tot 10 km voor mij de sweet spot als het over rennen gaat. Ik houd namelijk van alles geven en wel in een hoog tempo. Bij langere afstanden is het handig om strategisch over je snelheid na te denken, anders haal je het einde simpelweg niet. Zo’n hardloopwedstrijd voelt als een uitputtingsslag. Een wedstrijd tegen jezelf. Daar moet je van houden. Wat wel goed is om te weten: je kunt meer dan je wellicht zou verwachten. Dat is misschien mijn grootste les.
Zelf een wedstrijd lopen? Dit is waar je op let.
Schijnt de zon, draag dan absoluut een pet. Drink voldoende water, maar ga wel naar de wc voor de race begint. Ook niet onbelangrijk: vind iemand die jouw tempo loopt en haak bij diegene aan of blijf erachter lopen. Een beetje zoals het advies bij de eerste elektrische auto’s: volg de traagste auto om je batterij te sparen. Dan nog een gouden regel: links inhalen! Maar vooral: kijk om je heen, geniet van het moment.






